Menu

Bert Pappot

Bart Pappot en zijn zoon bij de varkens
Biologische varkenshouderij in Eibergen

Bert Pappot is getrouwd en heeft 3 volwassen kinderen. Hij heeft naast zijn baan een biologische varkenshouderij met 75 zeugen. Zijn vrouw heeft een gastouderopvang op de boerderij, een mooie combinatie vindt Bert. Hij is een boer in hart en nieren en is er trots op: “De status ‘boer’ geeft meerwaarde aan mijn leven. Het is een gevoel en een manier van leven, zeker met biologisch. Je leeft met de seizoenen, het weer, de natuur en met de dieren. Ik vind het geweldig.” Zijn zoon staat al in de startblokken om het boerenbedrijf over te nemen. Bert: “Ik maak het toekomstklaar voor hem, maar hij mag het straks allemaal op zijn eigen manier doen.”

De roots van Bert liggen in Amsterdam. Zijn vader was slager en zijn oom was boer. Toen Bert 21 jaar was kreeg hij de kans om de boerderij met 175 (reguliere) zeugen van zijn oom over te kopen, maar toen de polder onder water dreigde te lopen moest Bert op zoek naar een andere plek. Die vond hij 16 jaar geleden in Eibergen, waar hij zijn bedrijf opnieuw startte met 450 zeugen. Bert: “De mentaliteit in de achterhoek is heel anders dan in het westen. Hier is noaberschap en dat bevalt goed. Het westen is heel gejaagd geworden, al mis ik hier wel de typische scherpe humor en gezelligheid van Amsterdam.”

In 2016 kwam Bert voor de keuze te staan of hij wilde opschalen naar 1000 zeugen. Dat voelde niet goed en het was voor Bert het moment om te stoppen met de grootschalige boerderij. Hij ging in loondienst en is hobbymatig begonnen met varkens in de wei. “Ik ben toen een paar jaar leverancier geweest van bijvoorbeeld restaurant de Lindenhof. Maar toen kwam corona en klapte alles in elkaar.”

Bert Pappot en zijn zoon tussen de varkens
“Ik ben een beetje varkensgek, ik vind dat het leukste van de boerderij."

Veertien dagen lang heeft Bert geen varkens gehad, naar het gemis was te groot. Bert: “Ik ben een beetje varkensgek, ik vind dat het leukste van de boerderij. Toen we stopten met ons bedrijf miste ik ze gewoon. Het hoort bij mij.” Toen kwam Bert in contact met De Groene Weg en sinds 3 jaar is hij leverancier. De omschakeling had wel wat voeten in de aarde: “Ik dacht dat ik wel wist hoe ik het moest doen na al mijn ervaring, maar bio is echt een hele andere tak van sport. Ik heb geleerd om écht naar de dieren te kijken en hierop in te springen. Maar het bevalt heel goed. Het geeft veel rust.”

Ook moest er het een en ander verbouwd worden om te kunnen voldoen aan de biologische regelgeving: “We hebben familiekraamhokken gemaakt met een uitloop. Iedere zeug heeft haar eigen hok, maar ze kunnen ook bij elkaar lopen en gezamenlijk naar buiten. De biggetjes blijven de eerste week dichtbij hun moeder in het kraamhoek en na een week gaan ze aan de wandel. Ze zijn dan goed gehecht en blijven bij haar in de buurt.”

De varkens kunnen naar buiten wanneer ze willen. Er is altijd beschikking over een wei en een modderpoel, ook voor de biggen: “Bij een kilo of 8/9 kunnen de biggen al heel goed zwemmen!” lacht Bert.

“Wij denken dat we als mensen alles moeten sturen, maar het varken overleeft het in de natuur beter als wij. Het is goed om te vertrouwen op de dieren.” Bert geeft als voorbeeld: “Zeugen die gaan bevallen bevuilen hun hok. Ze maken een soort sleufje en daar gaan ze bovenop liggen. Eerder maakte ik het hok dan weer netjes, maar ze deden het steeds opnieuw. Toen heb ik het laten liggen en wat bleek, door de verhoging kunnen de pasgeboren biggen beter bij de uier. Heel slim van ze!”

Varkens liggen in de wei

Tussen de zeugen loopt ook een beer: “De beer is heel efficiënt. Hij ruikt, proeft en voelt precies aan wanneer het juiste moment is om te dekken. Hij dekt alleen als het tot een dracht komt, anders stopt hij er geen energie in. Daarnaast heeft hij ook een corrigerende functie naar de zeugen toe. Een beer brengt toch een bepaalde dynamiek met zich mee.”

De zorg voor 75 zeugen en de biggen is voor Bert ook goed te combineren met zijn baan in loondienst: “Het is voor ons ‘erbij’, dus er is geen financiële druk. Daardoor kan ik experimenteren met bepaalde hoksamenstellingen en kruisingen.” Die vrijheid benut hij graag, maar altijd met een doel voor ogen: meerwaarde vreëren voor het dier én voor het eindproduct: “In het verleden heb ik varkens gehouden waar ik uiteindelijk weinig aan overhield. Als dieren geen waarde meer hebben dan worden ze ‘dingen’ en ga je er anders mee om. Dat wil ik nooit meer. Ik wil echt meerwaarde geven aan het dier en hun leven. Dat proef je uiteindelijk ook terug in het stukje vlees.”